Skip to content

De Verdieping / Activisme / Architectuur / Ontwerpproces

De school: nieuwe design­opleidingen in Delft en Arnhem

Op verzoek van de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) formuleerden de ontwerpers Mart Stam (1899-1986) en Andries Copier (1901-1991) vlak na de Tweede Wereldoorlog plannen voor een universitaire opleiding tot in­dustrieel ontwerper. De Technische Hogeschool te Delft talmde lang, waarna een veelbelovende bouwkundestagiair van Philips uiteindelijk de nieuwe opleiding Industriële Vormgeving gestalte gaf: Joost van der Grinten (1927-2017). De richting IV werd onderdeel van de faculteit Bouwkunde. Het curri­culum vermeldde nadrukkelijk dat de nieuwe studierichting een geheel eigen karakter bezat.

Pas op 7 februari 1969 kreeg de Technische Hogeschool ministeriële goedkeuring voor een nieuwe studierichting Industriële Vormgeving, waar Van der Grinten inmiddels de eerste hoogleraar was geworden. Van der Grinten wilde met de opleiding bewust afstand nemen van de denkwereld van de moderne architectuur. In plaats daarvan spoorde hij studenten aan de probleemanalytische houding van de technisch ingenieur aan te nemen, door kennis te vergaren over productietechnieken en vooral aandacht te hebben voor de gebruikskwaliteit van de producten. Voor de staf van de nieuwe opleiding vond Van der Grinten ontwerpers uit de praktijk als Wim Crouwel (1928), Bernd Schierbeek (1926-?) en Emile Truijen (1928- 2003), en later Wim Groeneboom (1940), Aat Marinissen (1933-2013) en Wim Rietveld (1924-1985).

De afdeling Industriële Vormgeving groeide in de jaren zeventig razendsnel. De sfeer onder de hoofdzakelijk jonge staf was ronduit dynamisch; men voerde een ideologische strijd om de beginselen van het ontwerpen. Sommige medewerkers wilden een opleiding die zich op de commerciële ontwerppraktijk richtte. Veel anderen propa­geerden een ontwerper die met behulp van moderne technologie bij zou dragen aan een betere samenleving. Er waren ook groepen studenten die zich soms regelrecht afkeerden van zowel hightech als de industriële consumptiemaatschappij en zich bijvoorbeeld wendden tot het ecologische gedachtegoed van Victor Papanek.

Vaak begeleidden de docenten de afstudeeropdrachten liever niet in het commerciële bedrijfsleven maar bij staatsbedrijven als PTT en Nederlandse Spoorwegen, al begon die afwijzende houding in de loop van de jaren tachtig langzaam te veranderen. De belangrijkste gemene deler in Delft was wellicht een afkeer van de kunstnijverheids-traditie. Men vond professionele aandacht voor de huiselijke omgeving overbodig: het was zelfs ronduit verboden. Tegelijkertijd met de ontwikkeling en het succes van de opleiding Industrieel Ontwerpen bleek, overigens al in de loop van de jaren zestig, dat Nederland niet de industriële samenleving zou worden die onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog was voorzien.

Voor de grote massa in Nederland houdt het begrip industrieel ontwerpen niet méér in dan het esthetisch vormgeven. Helaas moet geconstateerd worden dat recente uitlatingen van enkele binnenhuisarchitecten en edelsmeden die zich industrieel ontwerper noemen er zeker niet toe bijdragen dat dit vooroordeel snel zal verdwijnen.

— Jan Jacobs, een van de eerste afstudeerders van de opleiding Industrieel Ontwerpen Technische Hogeschool Delft, hoofdontwerper Gispen te Culemborg en hoogleraar Industriële Vormgeving aan de Technische Universiteit Delft (1981)

(Contrapunt)

Academie te Arnhem kende een afdeling ‘Edelsmeden en vormgeving in metaal’, nog geheel geschoeid op het ambacht in materiaal en discipline. Van 1968 tot 1978 trad de jonge ontwerper Gijs Bakker (1942) aan als docent ruimtelijk vormen/ruimtelijk ontwerpen en vormde de richting om tot een opleiding voor moderne vormgeving. Vanuit zijn eigen opleiding en kennis van metalen en sieraden ontwikkelde Bakker zich tot meer universeel ontwerper. Na verloop van tijd ontwikkelde hij zich ook als industrieel ontwerper, een beroep dat in die tijd een nadrukkelijk progressief en democratisch karakter werd toegedicht. Hoewel Bakker een precieze analyse van de ontwerpopdracht voorstond, was die geheel anders dan de aanpak te Delft. In Delft vormden de mogelijkheden van de industrie, technische innovatie en de wetenschap­pelijke inzichten van de ergonomie de richtlijn. De ontwerprichting onder Bakker had daarentegen een nadrukkelijk cultureel-innovatief karakter. Dit stelde hij ten voorbeeld aan de industrie, waarmee hij met zijn studenten verschillende projecten aanging.

Gerelateerde verdieping items

In de tentoonstelling Van Bauhaus naar Mekka onderzoekt Design Museum Den Bosch de relatie tussen traditie en moderniteit aan de hand van de baanbrekende ontwerpen van dr. Mahmoud Bodo Rasch. Hoofdcurator Yassine Salihine vertelt in een interview met NieuwWij hoe zijn ontwerpachtergrond en...
Traditie is een manier om een set vermeend authentieke gebruiken vast te leggen, letterlijk te conserveren. Ook in architectuur en design zijn tradities ontstaan, ideeën over wat de juiste manier is om deze toegepaste kunsten uit te oefenen. Toch wordt hier ook regelmatig mee gebroken.
Dit artikel van Maarten van Gestel verscheen eerder in Trouw onder de titel ‘Deze drie steenrijke broers sponsoren klimaatonderzoek, en zij zijn niet de enigen’ op 23 juli 2023. Maarten is ook te gast in de podcast Design voor de planeet, waarin hij meer toelichting geeft op het artikel.
Veranderingen waar de hele planeet mee te maken heeft, vereisen een wereldwijde visie op samenwerking, rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. Kan de mensheid zo’n wereld vormgeven?
Vanaf 1850 leidde de ontdekking van een vroegere ijstijd in Europa tot discussies over de oorzaken van klimaatverandering. Deze discussies versterkten het idee dat menselijke activiteiten het klimaat konden veranderen. Een rotsvast geloof in de kracht van de vooruitgang raakte wijdverbreid.
Sieradenontwerper en kunstenaar Ted Noten laat zich graag inspireren door de natuur. Ideeën ontstaan namelijk niet in een atelier, maar juist daarbuiten, vindt hij. Hoe belangrijk de rol van de tekening hierin is, daar vertelt Ted meer over in deze video.
Christine Jetten ontwerpt glazuren en keramische gevelbekleding in opdracht van architecten die binnen het bestaande aanbod niet kunnen vinden wat ze zoeken. Over haar unieke proces vertelt ze meer in deze video.
In de traditie van goth worden beelden, symbolen en stijlen naar hartenlust gemengd – het resultaat is een gedragen sfeer, die de fantasie prikkelt en de duisternis creëert. Goth is geen stijl in de traditionele zin, maar een gevoel.
In goth wordt het verleden gezien als een fotonegatief van de moderne tijd - in goede óf in kwade zin. Vaak zijn het daarbij juist de gebreken van technologie – de krassen op de film, de verkleuring van de foto – die een gothic gevoel aan het beeld geven.
Bij bezoek aan de tentoonstelling krijg je de catalogus mee. Hierin vind je zowel de bij­schriften van alle werken die op zaal te zien zijn, als inhoudelijke teksten ter toelichting van be­lang­rijke makers en thema's. De digitale versie is hier te bekijken.
Posthuman; als je ogen eenmaal geopend zijn zie je het overal. Maar wat is het eigenlijk? In deze terugkerende reeks legt conservator Fredric Baas het uit. In de eerste column focust Baas zich op het veranderende menselijke lichaam, iets wat Oostenrijkse ontwerpers in de jaren zestig al...
Parallel aan de tentoonstelling presenteert architekturtheorie.eu een selectie van films over en door de protagonisten van de ten­toon­stelling, oor­spron­kelijk gemaakt voor en uit­ge­zon­den door het ORF. De films zijn vaak net zo radicaal als de mensen, ideeën en het...
Design zou vóór en mét iedereen moeten zijn, is de gedachte van de tentoonstelling ‘Victor Papanek: The Politics of Design’. De tentoonstelling vormde voor masterstudenten van het Critical Inquiry Lab van de Design Academy Eindhoven de aanleiding om een dialoog aan te gaan met het werk van...
De oliecrisis en de milieuproblematiek leiden internationaal tot een herbezinning op de technologische fascinaties van de avant-gardes van de jaren zestig. Vooral Haus-Rucker-Co reflecteert met grote in­stal­la­ties op de consequenties van milieuvervuiling.
De prototypen van Walter Pichler zijn perfect uitgevoerde en functionerende meubels en ge­bruiks­voorwerpen. Door bepaalde effecten van het gebruik van dagelijkse objecten te benadrukken, laten deze prototypen de kille en ver­vreemdende werking ervan zien.
In de jaren zestig en zeventig veranderen nieu­we media als radio, telefoon en tv de relatie tussen mens en omgeving. De impact op de menselijke ervaring van de omgeving, maakt waarneming een belangrijk thema voor veel kunstenaars en ontwerpers in deze periode.
Het besef dat de cybernetica het functioneren van design, architectuur en stedenbouw ingrijpend zou gaan beïnvloeden, was in Oostenrijk al vroeg aanwezig. Over de consequenties daarvan wordt in tal van projecten gespeculeerd.
Met zijn manifest Alles ist Architektur rekent Hans Hollein af met de traditionele definitie van architectuur: "Onze inspanningen zijn ge­richt op het milieu als geheel en op alle media die dat bepalen. Zowel de televisie, het kunst­matige klimaat, de transporten, de kleding, de telefoon...
'Schöner Wohnen, of de vernietiging van de bewoonbare doodskist' is een film die ar­chi­tec­tuur­collectief Salz der Erde in 1971 maakte, en waarin het ideaal van het gelijknamige smaak­vol-burgerlijke woon­tijd­schrift genadeloos onderuit wordt gehaald.
De optredens van de Aktionisten zorgden steeds vaker voor schandalen. Dit culmineerde in 1968 in de happening Kunst und Revolution die in het kader van studenten­protesten georga­ni­seerd werd door de kunstenaar Peter Weibel en plaatsvond in een prominente collegezaal van de Weense...
De behoefte aan radicale verandering mani­fes­teerde zich in het naoorlogse Oosten­rijk in een serie megalomane stads­ont­werpen. Deze pro­jecten delen een obsessie met technologie en infrastructuur en een drang om compleet nieuwe manieren van samenleven te creëren.
Het Aktionisme is de geheel eigen, Oosten­rijkse variant van de performancekunst. Door middel van choreografieën met naakte licha­men, verf en bloed in combinatie met luide muziek brachten zij de deelnemers en het publiek in een roes.
De Oosterscheldekering in 1986 was de afronding van het Deltaplan, en betekende het einde van een tijdperk van het maakbare Nederlandse landschap. In deze periode werd het landschap ook steeds meer voor recrea­tieve doeleinden gebruikt - met de experience parken van Center Parcs als resultaat.